In de coronatijden zoekt de kunstmarkt driftig naar nieuwe impulsen om de omzet te verhogen

Marta Gnyp for het Financieel Dagblad, August 4, 2020

Na de eerste schok van de coronacrisis blijkt de ramp die de kunstwereld dreigde te verpletteren vooralsnog mee te vallen. Vijf maanden nadat de lockdown in Europa en iets later in de Verenigde Staten is geïntroduceerd, is de kunstmarkt springlevend tot levensvatbaar, afhankelijk van de visie van degene die je spreekt. Tijd voor een korte evaluatie.

De lotgevallen van de kunstmarkt kunnen worden vergeleken met die van de aandelenbeurzen. Ondanks de harde klappen die in de economie zijn gevallen en die nog zullen volgen, trekken de beurzen zich van de grimmige feiten weinig aan. Hetzelfde geldt voor de kunstmarkt: die tiert welig op welgestelde, rijke en ultra-rijke individuen. Zij zijn minder hard door de crisis getroffen dan de rest van de wereldbevolking. Een vergelijking met de vorige crisis biedt extra hoop: tijdens het dieptepunt van de recessie in 2009 (de omzet van de kunstmarkt daalde van $62 mrd in 2008 naar ¢39,5 mrd in 2009) veilde Sotheby’s het werk van Andy Warhol ‘200 One Dollar Bills’ (1962) voor $44 mln, toentertijd een onverwacht nieuw wereldrecord voor de kunstenaar. De omzet herstelde zich ook buitengewoon snel, in 2011 bedroeg deze al $64,5 mrd, wat zelfs hoger was dan in 2019 ($64,1 mrd).

De internationaal opererende mega-galeries lijden nu zeker een stevig inkomstenverlies, maar eerlijk gezegd heeft niemand medelijden – noch met de galeries, noch met de kunstenaars die door deze galeries worden vertegenwoordigd. Wel triest is dat vele tijdelijke medewerkers zijn ontslagen en dat er waarschijnlijk meer ontslagen in aantocht zijn. De machtsconsolidatie gaat echter door; in juli vond een merger plaats tussen twee galeries in New York, Barbara Gladstone en Gavin Brown’s Enterprise, waarbij de laatste zal opgaan in de meer gevestigde Gladstone. Dat betekent dat er alweer een mega-galerie bij is gekomen.

Het hoogste marktsegment, waarin werken met vraagprijzen boven de €1 mln omgaan, is in de coronatijd veel rustiger geworden. Hier zijn verschillende redenen voor, waarvan een reden zeker de logistiek is. Gedurende de laatste maanden was het, en is het soms nog steeds, onmogelijk een werk te komen bekijken. Je kan niet zomaar in een vliegtuig stappen om het kunstwerk in kwestie in het echt te aanschouwen; naast de galeries waren ook professionele opslagbedrijven dicht en mochten transportfirma’s niets vervoeren.
Een ander probleem was zeker het vertrouwen in de markt. In maart waren veel verzamelaars zeer sceptisch of de markt deze omvangrijke en uitzonderlijke crisis op korte termijn te boven zou komen. Vele kunstkopers verwachtten flinke kortingen en droomden van meesterwerken die wanhopige verzamelaars van de hand zouden willen doen. Niets bleek minder waar: er werden weinig topstukken aangeboden en ook de kortingen bleken meestal wishful thinking. Naar kunstwerken die vóór de corona-uitbraak een solide markt hadden, bleef de vraag stabiel. Daarentegen gebruikte menige galerie de exceptionele corona-omstandigheden om haar moeilijk verkoopbare werken met een forse korting aan te bieden. De uitzonderlijke situatie legitimeerde de broodnodige verlaging van de prijzen, iets wat in de primaire kunstmarkt (waar de werken voor het eerst voor verkoop worden aangeboden) niet mag gebeuren; je kunt als het ware een kunstenaar in de galerie niet devalueerden – dat gebeurt wel op veilingen. Sommige galeries beloofden ook een deel van de verkoopsom aan een liefdadigheidsinstantie te schenken; zeker een nobele intentie, maar soms ook een verkoopstimulans om matige werken verkocht te krijgen.

Wat iedereen echter volkomen verraste was de booming markt voor een groep jonge, vaak Amerikaanse, kunstenaars. Gedurende de laatste vier maanden is de vraag naar specifieke opkomende kunstenaars enorm gestegen, zodat hun galeries met de beruchte wachtlijsten moeten werken. De schilderijen kosten in de galeries tussen de €5.000 en €25.000, maar door de speculatie is er snel een internationale secondaire markt ontstaan waar veel hogere prijzen worden betaald.

Wat de kunstmarkt ook het vertrouwen teruggaf waren de zomerveilingen van de moderne en hedendaagse kunst die in juni-juli deels digitaal en deels met publiek plaatsvonden. De drie grootste huizen Christie’s, Sotheby’s en Phillips hebben hun beste digitale ontwerpen uit de kast getrokken en genereerden een omzet van $835 mln. Dit zou onder normale omstandigheden een mager resultaat zijn geweest (in 2019 was het resultaat $1,7 mrd) maar in een versperde wereld was het een geweldige prestatie.
De online context werkte tot dusver vooral voor veilinghuizen, waarschijnlijk omdat online veilingen al volop in gebruik waren; de online viewing rooms die in het begin van de lockdown als dé marktplaats voor galeries werden gezien, zijn alweer een beetje passé. De ‘online fatigue’ sloeg toe, de nieuwigheid was er snel van af en de spanning ebde weg.

Ook online kunstbeurzen hebben nauwelijks resultaten opgeleverd. Voor de galeries was het online platform vooral een excuus om de gebruikelijke previews uit te sturen en op basis daarvan de gewilde werken aan eigen klanten te verkopen; onverwachte online ontmoetingen en nieuwe klanten bleven meestal uit. Maar terwijl de ene na de andere beurs werd afgeblazen en de online alternatieven niet bleken te functioneren, hebben veel galeries snel dependances geopend in de Hamptons, de populaire badplaatsen ten oosten van de stad New York, waar veel van de welgestelde Amerikanen in coronatijd verblijven. Noodzaak is de moeder van uitvinding.