Hoe goedbedoelde regelgeving een verlammend effect op de kunst uitoefent

Marta Gnyp FOR HET FINANCIEELE DAGBLAD, 12 MAY 2020

Vrij vertaald luidt een citaat van Plutarchus uit de eerste eeuw: ‘We bewonderen het werk, maar minachten de maker’. Het is vandaag moeilijk voor te stellen, maar in het klassieke Griekenland en Rome stonden kunstenaars niet in hoog aanzien. Vanuit het post-Platonische standpunt werden ze simpelweg tot de handwerklieden gerekend.

De omwenteling kwam in de Renaissance, toen de kunstenaar geniale trekken kreeg toegedicht. Hij werd een man van de wereld die met God in creativiteit wedijverde en zo was kunst niet meer weg te denken uit het leven van de elite. In de negentiende eeuw bevrijdden kunstenaars zich opnieuw, ditmaal van de verstikkende structuren van opdrachten, salons en vastgeroeste academies. In het ontluikende kapitalisme werden zij bohemiens en provocateurs van de burgerlijke normen; later ook revolutionairs en het geweten van de samenleving.
Tot op de dag van vandaag zien we kunstenaars als bijzondere wezens en kunst als een buitengewoon product van de menselijke psyche. Niets dan lof voor kunst en kunstenaars, maar deze houding zorgt voor verwarring in de kunstmarkt. Enerzijds is de kunstmarkt namelijk een normale goederenmarkt: we hebben te maken met BTW, importheffingen, transporten, opslag, certificaten – met alle aspecten dus, die van toepassing zijn op de internationale handel. Anderzijds wordt kunst beschouwd als een gekoesterd cultuurgoed, waarop allerlei extra voorwaarden worden geplakt.

Bijvoorbeeld het volgrecht dat in alle EU-landen geldt: Europese kunstenaars krijgen een percentage van de verkoopsom, telkens wanneer hetzelfde werk opnieuw wordt verkocht boven het bedrag van € 3.000. Daarmee bestempelen we de makers van kunst tot een ander soort producenten dan de makers van tassen of auto’s, waarop geen volgrecht van toepassing is. Prima, kunst is een symbolisch product, maar waarom dan dezelfde btw als voor auto’s? Sommige EU-landen hanteren een lagere btw op kunst, maar uitsluitend voor kunstenaars uit eigen land.

Er zijn meer problemen met het volgrecht. Het bedrag is niet significant (het percentage bedraagt tot 4% van de verkoopprijs, tot een maximum van €12.500), maar psychologisch heeft deze regeling schaduwzijden. Het werkt in het nadeel van Europese kunstenaars, en wekt vaak irritatie op bij de kopers. Immers, goede resultaten op de secundaire markt duwen meestal de primaire markt omhoog en kunstenaars die in de markt niet succesvol zijn zullen het moeten waarderen als iemand hun werk überhaupt wil kopen.
Duitsland maakt het nog bonter met de zogenoemde sociale kas voor kunstenaars (KSK), een soort belasting op kunst. Elke keer als je in Duitsland een werk direct van een kunstenaar koopt, betaal je aan de stad ongeveer 5% van de prijs (het percentage schommelt per jaar). Van dat geld worden sociale premies betaald voor kunstenaars die deze zelf niet kunnen betalen en dus eigenlijk niet van hun eigen kunst kunnen leven.

Wegens het gelijkheidsprincipe geldt de regel voor aankopen van werken van alle kunstenaars wereldwijd. Ook als je een werk koopt van een Amerikaanse kunstenaar die nooit een voet op Duitse bodem zou zetten ben je verplicht om 5% van de aankoopprijs aan de staat te betalen. Anders zou immers niemand voor Duitse kunstenaars kiezen.
Op het eerste gezicht een nobel principe, ware het niet dat bedrijven die direct van kunstenaars kopen meestal galeries zijn. Deze staan reeds onder grote financiële druk (FD, 18 februari). Onder het mom van staatssubsidie worden moeilijk levensvatbare kunstenaars ondersteund door de kunsthandel, waarbij de slopende bureaucratie hier de lachende derde is. Ook in dit geval wordt kunst als een bijzonder product beschouwd en wordt de maker beschermd.

Dat het in Duitsland niet werkt, bevestigen de cijfers. Duitslands aandeel in de totale kunstmarktomzet bedroeg in 2019 een magere 2%, tegenover 44% voor de VS, 18% voor China en 20% voor het VK (het Nederlandse aandeel lag onder de 1%).

Uit een enquête gehouden in Berlijn in 2018 is gebleken dat van de 8.000 kunstenaars die hier leven slechts 21% kan leven van hun kunst. U kunt ook raden waarom de Duitse top-gallerist David Zwirner Parijs en niet Berlijn koos als zijn EU-locatie.

Het land dat bekend staat om zijn geweldige kunstenaars, die de laatste 40 jaar een grote stempel op de hedendaagse kunst hebben gedrukt (onder wie Gerhard Richter, Georg Baselitz, Albert Oehlen en Thomas Schütte), profiteert nauwelijks van zijn helden. Weet u waar hun werken worden verkocht? Vooral in Londen en New York.

Staatsvergunning

Nog een belemmering voor de kunsthandel is het recht op bescherming van cultuurerfgoed dat in alle EU-landen geldt, maar in Duitsland tot groteske proporties werd opgeblazen. Hierdoor heeft menig kunstenaar en verzamelaar zijn collecties recentelijk naar het buitenland verplaatst. Schilderijen ouder dan 50 jaar en met een waarde hoger dan € 150.000 moeten een staatsvergunning hebben om het land te verlaten. Aangezien cultuurerfgoed een breed begrip is, wordt er gevreesd voor vrije interpretaties van vergunningsambtenaren.
In de VS bepaalt de markt wat de kunstenaar krijgt. Het is zeker niet zaligmakend, maar de cijfers liegen er niet om. De VS is de grootste markt en New York de kunsthoofdstad van de wereld. Nieuwe talenten worden daar meestal gezocht en vaak ontdekt. Goede bedoelingen vertaald naar verwarrende subsidiesystemen en protectiemaatregelen lijken vooral solide bureaucratie voort te brengen.

QxdKmeweJS5SEImiOE mcyaVbxI
Illustratie: Hein de Kort voor Het Financieele Dagblad