Gabriel Lester

by Marta Gnyp for L’Officiel HOMMES NL #2, August 2011

Zijn filmproducties zijn mysterieus en ongrijpbaar, zijn installaties verplaatsen de toeschouwer naar een andere denkbeeldige wereld, zijn objecten vertellen verhalen door verrassende associaties: het gebied waar de Nederlandse kunstenaar Gabriel Lester zich beweegt, is breed en conceptueel gezien veelzijdig.

Melancholia in Arcadia, 2011, courtesy Gabriel Lester

Melancholia in Arcadia, 2011, courtesy Gabriel Lester

Marta Gnyp: Een maand geleden ben je verhuisd naar Shanghai. In de eerste weken na een verhuizing vallen nieuwe dingen je vaak het meest op, daarna wen je aan je omgeving. Wat heeft je he meest verbaasd in vergelijking met Amsterdam?

Gabriel Lester: In de afgelopen vijftien jaar heb ik in veel verschillende landen gewoond. Soms voor een half jaar, soms een paar jaar. Het waren echter allemaal Europese landen of landen die een band hadden met Europa, bijvoorbeeld door een koloniaal verleden of een gedeelde geschiedenis. Hierdoor was de ervaring van het nieuwe vaak de beleving van de tegenstellingen in relatie tot het oude en het bekende. In China heb ik dit minder ervaren. Alles is zo compleet anders, dat ik veel minder contrast ervaar en als gevolg minder verbaasd ben geweest dan ik had verwacht. Maar als ik dan toch een verschil met Amsterdam zou moeten benoemen dan is dat de vriendelijkheid in relatie tot de drukte. Al wonen de mensen erg dicht op elkaar en is het vaak ook op straat een wirwar van verkeer, de mensen zijn erg beleefd, minder individualistisch en meer denkend vanuit het collectief. Elkaar om het kleinste ongemak uitschelden op straat zoals dat in Amsterdam snel gebeurt, is hier niet aan de orde.

MG: China zou het nieuwe beloofde land zijn, een land van ongekende en onbekende rijkdom. Een land dat wellicht het gezicht van de wereld mede gaat bepalen. Geldt het ook in jouw opinie voor kunst?

GL: Dat het een welvarend land is, is absoluut zo. Al worden mensen zeker uitgebuit en heerst er ook absolute armoede, ik heb nog nooit zo veel rijkdom bijeen gezien. Of China het toekomstige gezicht van de kunst ook gaat bepalen, betwijfel ik ten zeerste. Wellicht in een verre toekomst. Vooralsnog lijkt kunst in China nog te weinig voort te komen uit innerlijke noodzaak of uit bevlogen inspiratie. Mensen hebben veel losse ideen én de middelen om die te realiseren, dus dat doen ze dan ook. Dat wat ze maken, heeft daardoor vaak een beperkte vitaliteit. Mij is ook al verteld dat veel hedendaagse Chinese kunstenaars liever een Porsche hebben dan een tentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York. Dat zegt iets over de motivatie achter het maken van kunst. Voor velen is dit een economische. Natuurlijk geldt dat niet voor alle kunstenaar en zijn de betere kunstenaars vaak ook degene die wel met een gevoel van urgentie kunst maken.

Ride of Death, 2009, foto: Gert Jan van Rooij, courtesy Galerie Fons Welters

Ride of Death, 2009, foto: Gert Jan van Rooij, courtesy Galerie Fons Welters

MG: Zie je China als een land waarin jij, als westerse kunstenaar, een nieuwe carriere kan maken?

GL: Nee, maar ik zie wel mogelijkheden om bestaand werk opnieuw uit te voeren en te tonen. Ook denk ik dat het land mij zeker zal inspireren. In dat opzicht zou ik kunnen zeggen dat China me nieuwe idee‘n kan geven en nieuwe inzichten kan verschaffen.

MG: Merk je interesse voor de westerse kunst in China?

GL: Ik ben er nog niet lang genoeg om te weten in hoeverre men daadwerkelijk geinteresseerd is in westerse kunst. Men zegt dat ik op het juiste moment naar China ben gekomen, omdat het land zich nu echt opent en de paden door de pioniers zijn verkend. Men zegt trouwens in Nederland ook dat ik op het juiste moment ben weg gegaan, omdat het land zich nu echt sluit en de pioniers de weg kwijt zijn. Wat opvalt in China is dat de Chinezen geinteresseerd zijn in de westerse idee‘n over kunst, wellicht nog meer dan in de kunst zelf.

MG: Zijn er aspecten van Chinese kunst die je intrigeren en die je wellicht in je eigen werken kunt toepassen?

GL: Op dit moment heb ik daar nog geen goed beeld van. Mijn aandacht gaat eerder uit naar wat ik met de bestaande structuur van het land en de razendsnelle ontwikkelingen kan en zal gaan doen.

MG: Jouw oeuvre, jouw manier van werken is niet makkelijk grijpbaar. Je belangstelling voor de film en cinematografische effecten loopt als de rode draad door je werken, maar verder houd je je met verschillende zaken bezig die je in verschillende media uitdrukt. Je maakt grootschalige films, kleine videoproducties, je gebruikt gevonden voorwerpen en je maakt architectonische objecten. Wat zou je zelf beschrijven als de kern van je werk?

GL: Dit is zo’n vraag waarop ik iedere dag van de week een ander antwoord kan geven. De essentie van mijn werk is denk ik toch verhalen vertellen. In veel gevallen gaat mijn aandacht uit naar verhalende technieken en de textuur van het verhaal, waar ik film, muziek en architectuur ook onder schaar. In andere gevallen vertel ik letterlijke verhalen, zoals in mijn films en geschreven teksten.

Loop of Doom, 2009, foto: Gert Jan van Rooij, courtesy Galerie Fons Welters

Loop of Doom, 2009, foto: Gert Jan van Rooij, courtesy Galerie Fons Welters

MG: Wat wil je bereiken met je kunst? Wil je überhaupt iets bereiken?

GL: Ten eerste maak ik wat ik zelf graag zou zien. Denk aan het fenomeen dat je iemand iets cadeau geeft dat je zelf ook graag cadeau zou willen krijgen. Mijn kunst is zoiets als een geschenk aan de wereld. Daarnaast is kunst voor mij een middel om mensen op een abstract niveau te laten – en leren – denken. Het is een beetje zoals wiskunde. We roepen jaren na onze middelbare school weleens: waarom moesten we die ingewikkelde wiskunde leren als we het toch nooit gebruiken? Wat die wiskunde ons leert, is juist hoe we op een abstract niveau kunnen denken.Dit hebben we nodig om te overleven, om met elkaar om te gaan om de wereld enigszins te begrijpen. Daarom gaat veel van mijn werken over kijken en lezen. Daarbij gebruik ik opzettelijk illusies en magische verbanden, om dat kijken en lezen uit te dagen. In dit opzicht is mijn werk geengageerd. Niet omdat het specifieke actuele, politieke of filosofische onderwerpen aansnijdt of belicht, maar omdat het gereedschap aanreikt om over dergelijke onderwerpen te kunnen nadenken.

MG: Waarom vind je de film zo boeiend? Waarom ben je beeldend kunstenaar geworden en geen regisseur?

GL: Film is het medium dat alle kunsten verbindt. Het wordt ook wel de vervuilde kunst genoemd, omdat het niet én aspect in zich heeft, maar beeld én geluid én theater enzovoort. Dit sluit aan bij hoe ik wil werken en wat mij interesseert. Iets van gelijktijdigheid, van parallellen en verschillende niveaus in één. Uiteindelijk ben ik wel regisseur en zelfs cineast geworden, maar niet altijd met film of video. Om heel eerlijk te zijn, ben ik ooit ook kunstenaar geworden uit ongeduld. Ik ben in zekere zin een compulsieve artiest. Een film maken vergt nu eenmaal een veel grotere investering dan kunst. Dat het veel tijd kost is nog daar aan toe, maar het kost jammer genoeg ook betrekkelijk veel geld.

MG: Kijk je veel films?

GL: Ongeveer vier per week, tweehonderd per jaar.

MG: Waar komt je belangstelling voor film vandaan?

GL: Als kind waren film en muziek de media die mij het meest aanspraken en dat is nog altijd zo. Daarnaast was mijn grootvader filmproducent en mijn vader was acteur. Dus thuis was film echt de meest gewaardeerde kunstvorm.

The Last Smoking Flight, 2008, foto: Gert Jan van Rooij, courtesy Galerie Fons Welters

The Last Smoking Flight, 2008, foto: Gert Jan van Rooij, courtesy Galerie Fons Welters

MG: Wat is je lievelingsfilm?

GL: Die heb ik echt niet. Het verandert per dag. Vandaag is het Zelig van Woody Allen. Ik zag ’m gisteren opnieuw en het is toch echt een briljante film.

MG: De mogelijkheid om naar Shanghai te verhuizen ontstond toevallig, of anders gezegd, die is je in je schoot geworpen. Beschouw je het als een speling van het lot, het onderwerp waar je je de afgelopen drie jaar intensief mee bezig hebt gehouden?

GL: Het is natuurlijk voor de hand liggend, dat na al die werken die onder andere het lot als thema hadden, dit soort vragen komen. Maar weet je, mijn interesse gaat naar hoe men in het algemeen met dit gegeven omgaat, niet zo zeer hoe dit gegeven met mij en mijn leven omgaat. Ik heb dus weinig nagedacht over de relatie tussen mijn lot en het feit dat ik nu hier ben. Reizen en verhuizen is iets dat voor mij heel natuurlijk aanvoelt.

MG: Geloof je in het lot? Geloof je in het afdwingen van het geluk?

GL: Ik geloof er wel in, maar het heeft weinig invloed op mijn handelen. Ik geloof in dit soort begrippen, zoals ik in verhalen geloof. Het is een kwestie van suspension of disbelief, om nog maar een thema uit mijn werk aan te halen.

MG: Een van je grote filmproducties, The Last Smoking Flight, ging over roken. Verschillende types mensen geven zich in een vliegtuig voor de laatste keer over aan het plezier van het roken. Waarom heb je deze film gemaakt?

GL: Vroeger rookte ik veel. De eerste keer dat ik aan het maken van die film dacht, was toen ik enkele jaren geleden naar Seoul vloog en vanuit de wolken, na de landing, al snel in mijn eigen wolk stond, rokend. Mijn eerste vlucht ooit was een rokersvlucht. Ik was heel jong en vloog met mijn vader naar New York. Aan bord rookten mensen. Dat fascineerde me:
vuur en vliegen. De dieperliggende reden voor The Last Smoking Flight was het overlijden van mijn moeder die als stevige roker aan longkanker stierf. Toen ik de film maakte, had ik het niet eens helemaal door, maar achteraf is wel duidelijk dat die mensen in dat vliegtuig, rokend, de mensen zijn uit romans, uit verhalen, uit de fantasie. Dat is de wereld van mijn moeder, die mij introduceerde in de literatuur. Ik kan er nog veel meer over vertellen, want die film is een typisch werk voor mij, in zo verre dat het niet eenduidig is, maar een uitnodiging tot associatief denken.

Dive of Dare, 2009, foto: Gert Jan van Rooij, courtesy Galerie Fons Welters

Dive of Dare, 2009, foto: Gert Jan van Rooij, courtesy Galerie Fons Welters

MG: Je tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen begin dit jaar is heel goed ontvangen. Je kreeg veel media-aandacht. Lees je alle artikelen over jezelf?

GL: Tot nog toe is er nog niet zoveel over mij geschreven dat ik het niet meer bij zou kunnen houden, dus ik lees wel bijna alles. Kritiek is nooit leuk, hoe gegrond het ook kan zijn. Maar als het goed is, dan is het waardevol en dat heb ik, denk ik, snel genoeg door. Wat veel vervelender is, is wanneer onjuistheden of oppervlakkigheden worden opgeschreven die een verkeerd beeld van mij en mijn werk geven. Erger nog dan verkeerd begrepen te worden, is het wanneer mensen onjuistheden als waarheden verkopen. In het geval van de tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen – hoe goed de kritieken vaak waren – was het stuitend om te lezen dat verschillende journalisten werken hadden gezien die helemaal niet tentoongesteld waren. Deze werken stonden wel in een persbericht, maar waren niet tentoongesteld.

MG: Voorafgaand aan deze tentoonstelling heb je een andere grote film gemaakt The Big One. Artis werd drie dagen lang overstroomd door honderden zo niet duizenden figuranten. Het is een bijzonder verhaal over een geheimzinnige lottotrekking. Waar kwam de inspiratie vandaan om deze film te maken?

GL: Zoals ik al eerder vertelde, zie ik mijzelf ook als verhalenverteller. Hierbij heb ik een speciale interesse voor het mechanismen achter verhalen – hoe ze zijn opgebouwd, hoe ze functioneren. Aan loterijen – die al sinds de dertiende eeuw bestaan en vanuit de Lage Landen over de hele wereld zijn verspreid – fascineerde mij hoezeer een ritueel een verhalende structuur volgt. In feite is ieder ritueel een verhaal. In het geval van de loterijen is het, naast een ritueel, ook een spektakel, iets waarvoor mensen naar het stadsplein of het theater gaan. In tegenstelling tot een theaterstuk met een expliciet verhaal is de loterij een abstract verhaal. Opgevoerd op een podium ontvouwt het lot zich aan de hand van nummers. Deze abstractie fascineert mij. Hoe wij gegrepen kunnen worden door een verhaal waarvan de as bestaat uit cijfers, en de volgorde hiervan het lot kan bepalen. Het leek me dus een inspirerend onderwerp om een film over te maken. Een verhaal over abstractie, waar de deelnemers en toeschouwers
worden ondergedompeld in een breed scala van emoties. Hoop en wanhoop in de rigide structuur van een spel.

MG: Hoe werk je als je een film maakt. Heb je lol of ben je juist zeer geconcentreerd?

GL: Beide. Maar in eerste instantie wel heel geconcentreerd.

Night of the 24th the crisis, 2009, foto: Dominique Uldry, courtesy Galerie Fons Welters

Night of the 24th (the crisis), 2009, foto: Dominique Uldry, courtesy Galerie Fons Welters

MG: De afgelopen maanden is er in Nederland veel over kunst gediscussieerd vanwege de bezuinigingen. Misschien gênanter nog dan sommige bezuinigingen was volgens mij de stilzwijgende consensus van velen dat het nut van kunst betwistbaar is en dat de autonome kunst op de maatschappij parasiteert. Is kunst noodzakelijk volgens jou? Is het concept van de autonome kunst nog houdbaar in onze tijd?

GL: Hier is geen eenduidig antwoord op te geven. Aan de ene kant is het zeker zo dat er in Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog veel fouten zijn gemaakt in de manier waarop is omgegaan met het ondersteunen van autonome kunst. Hierdoor is de noodzaak om kunst te maken soms op de achtergrond geraakt. De noodzaak om geld te verdienen via kunstsubsidies is te vaak de motivatie voor de kunstenaar geweest. Bovendien is er een kunstondersteunend apparaat ontstaan dat vaak te weinig voor zijn bestaan heeft gevochten en dus ook geen noodzaak had zichzelf echt goed te vormen en te vernieuwen. In dat opzicht is het dus wel verstandig om kritisch te zijn. Tegelijk is het van enorm belang dat jonge, nieuwe kunstenaars de mogelijkheid krijgen zich te ontwikkelen. Wellicht is het een oplossing, of toch op z’n minst een begin, om het aantal kunstopleidingen te verminderen en de toelatingscriteria te verhogen. Minder kunstenaars, maar wel met meer motivatie en kennis van zaken. Dat zou al een hoop oplossen. De ondersteuning van instituten voor autonome kunst lijkt me heel belangrijk. Ik snap dan ook niets van het voornemen om instituten als de Rijksakademie van beeldende kunsten, De Ateliers en de Jan van Eyck Academie niet langer te ondersteunen. Dat zijn juist de instituten die een brug slaan tussen de autonome kunst en de samenleving. Tegelijk zijn het de ‘hogere instituten’ van de kunst; ze maken deel uit van de cultuur van ons land – van vroeger, nu en de toekomst.

MG: Voor wie maak jij je werken? Wie is jouw publiek?

GL: Mensen en wezens in het heden en de toekomst.

Wheel of Fortune, a Fireplace, 2011

Wheel of Fortune (a Fireplace), 2011

MG: Er lijkt een trend te zijn waarin kunstenaars worden betrokken bij bedrijven en allerlei projecten buiten de kunst om. Het idee is dat de creativiteit van de kunstenaar een oplossing kan bieden voor allerlei problemen die de werknemers niet kunnen oplossen omdat ze op een andere manier denken. Geloof je dat kunstenaars een andere soort kijk op de werkelijkheid hebben en verrassende oplossingen binnen bijvoorbeeld het bedrijfsleven kunnen voorstellen?

GL: Zoals ik al aangaf, denk ik dat kunst een bepaalde mate van abstract denken en kijken kan aanleren. In dat opzicht denk ik wel dat het werkt om met bedrijven samen te werken en dat kunstenaars out of the box-oplossingen kunnen bedenken. In het bestaan van wonderdokters geloof ik niet, maar jammer genoeg geloof ik wel in het bestaan van kwakzalvers.

MG: Krijgt de kunstenaar mythische kwaliteiten toebedeeld, alsof hij een lijntje heeft met god en creativiteit?

GL: Dat gevoel heb ik niet. Kunstenaars zijn een soort edele vormgevers, zeker als ze in opdracht werken. Als de opdracht – het probleem of het onderzoeksgebied – goed verwoord is, kan de kunstenaar een interessante vormstudie doen en in het beste geval een andere of nieuwe vorm voorstellen. Hierbij spelen twee zaken een belangrijke rol: de kwaliteit van de vraag die wordt gesteld en de match met de kunstenaar. Als een van de twee te wensen overlaat, is het meer een soort siermakerij om een kunstenaar te vragen, dan een serieuze onderneming.

MG: Denk je dat de nieuwe media veel op het gebied van kunst zullen veranderen? Jij zelf gebruikt bijvoorbeeld veel beelden van internet.

GL: Al gebruik ik nieuwe media, ik zie geen extra grote rol weggelegd voor deze media. Het idee, het concept zie ik echter wel een groter ‘gebied’ innemen. Ik denk dat kunst in de komende jaren steeds vaker zal gaan over ‘het idee’ dan het gebruik van media. Wanneer ik heb gesampeld van het internet, is dat niet om het internet, maar met het internet. Het internet zelf is een bibliotheek en een plek waar een kunstenaar zijn eerste verkenning van idee‘n kan doen. Ik ben er erg blij mee, al zie ik ook wel de beperking van de informatie die er te vinden is.

Big Bang, 2007, courtesy Galerie Fons Welters

Big Bang, 2007, courtesy Galerie Fons Welters

MG: Wat denk je van de gevleugelde uitspraak van Picasso: Bad artists copy, great artists steal?

GL: Ik zou zeggen: Bad artists copy, great artists paste. Hij bedoelt natuurlijk het verschil tussen nadoen zonder nadenken en namaken door na te denken.

MG: Wat was de belangrijkste tentoonstelling voor je tot nu toe en waarom?

GL: Waarschijnlijk de tentoonstelling in De Appel in 2001. Omdat ik in die tentoonstelling voor het eerst zonder techniek werkte dus zonder apparaten en computers. Ik ontdekte toen hoe ik een ruimte kon opsnijden en er een sequentie in kon aanbrengen. Daarnaast moest ik snel een nieuw idee formuleren, omdat ik het initi‘le idee niet kon realiseren. Daardoor werd het hele proces een soort performance. Ik verdeelde de ruimte in delen door middel van dunne wanden, verzamelde allerhande decoratiemateriaal en plukte mensen van de straat om te poseren in de installatie. De foto’s die ik van hen maakte, werden toegevoegd aan de installatie. Het werd hierdoor een heel grote, dynamische en cinematografische collage. Het was en soort exposé van mijn pallet als kunstenaar. De reacties waren erg goed. Voor het eerste kwam ik echt in de pers en ontstond er een soort buzz.

MG: Is de persoonlijkheid van de kunstenaar bepalend voor zijn succes? Hoe gaat het in jouw geval? Jij bent een opvallende welbespraakte man die de openbaarheid niet schuwt, sterker nog iemand die graag in het middelpunt van belangstelling staat.

GL: Ik denk dat dit net zoveel voor- als nadelen heeft. Uiteindelijk is het succes van een kunstenaar afhankelijk van de mate waarin hij of zij de context van de tijd, de cultuur en de mensen kan aanvullen of aanspreken – naast uiteraard originaliteit van zijn idee‘n en de kwaliteit van de uitvoering ervan. Sommige deuren zijn voor mij open gegaan omdat ik mij open en met een interessant verhaal manifesteerde, maar even zoveel deuren zijn gesloten gebleven,omdat hoe ik ben en communiceer, sommige mensen juist niet aanspreekt. Of omdat men mij niet vond passen in de context waarin zij willen werken en denken.

Food Chain, 2011, courtesy Gabriel Lester

Food Chain, 2011, courtesy Gabriel Lester

MG: Wat wordt je volgende project?

GL: Dat zijn er meerdere. Het grootste project is een speelfilm. Het kleinste een groepstentoonstelling met bestaand werk, hier in Shanghai.

Gabriel Lester wordt vertegenwoordigd
door Galerie Fons Welters in Amsterdam.
www.fonswelters.nl